Deze blogpost is onderdeel van de synchroblog van Emerging Netwerk over het boek ‘Als een kerk (opnieuw) begint’.
Het laatste hoofdstuk van het boek gaat over het opleiden van gemeentestichters. Aangezien ik zelf nog in opleiding ben, wil ik dit hoofdstuk graag tegen het licht houden.
Allereerst wordt de afstand gesignaleerd tussen de academische wereld en de plantingspraktijk op oa sociaal en economisch gebied. Niet alleen kennen de academici dat deel van de samenleving niet voldoende, ook kunnen spontane initiatieven van niet-theologen in de schaduw komen te staan. Om met dat laatste te beginnen. Ik denk dat dat een onoverkomelijk probleem is, je kunt daar bijna alleen maar rekening mee houden door de academische graad weg te laten uit de opleiding. Terwijl – om echt van elkaar te leren – het juist goed is als er een mix ontstaat tussen beide werelden. Het eerste, gebrek aan kennis van de samenleving, zou men kunnen compenseren door al tijdens de opleiding te gaan wonen in de plaats van het beoogde project of in een vergelijkbare wijk. En daar dan ook minstens 1 dag in de week voor vrij te maken, gelijk een goede oefening in het contacten leggen in de buurt.
Bij het inrichten van een opleiding worden 4 randvoorwaarden genoemd.
1. Selectie en assessment – Het lijkt mij een heel goed idee om voordat men aan een dergelijke opleiding begint eerst te gaan selecteren. Niet alleen is het goed voor de persoon zelf om inzicht te krijgen in zijn motivaties en competenties, ook voor de opleiding zelf. Het vergemakkelijkt het sparren. De vraag is alleen hoe je met een selectiemodel voldoende recht kunt doen aan al die verschillende projecten en soorten leiderschap die nodig.
2. Praktijkleren – Het is duidelijk dat in deze tak van sport het goed is om te oefenen en je eigen exposure te ontdekken. Jammer is wel dat er op de eerste echte missionaire master in Nederland (TUKampen) geen ruimte lijkt te zijn voor deeltijd. Wil je die opleiding echt goed in de markt zetten, dan moet je zowel 1 als 2 direct toepassen. Het verhoogt de kwaliteit en voorkomt dat het uitvalpercentage(afgestudeerden ‘gewoon’ op de kansel) hoog wordt.
3. Groepsleren – Belangrijk in de opleiding, maar het lijkt mij vooral belangrijk in het natraject. Zeker als er geen deeltijd wordt aangeboden, zullen de studenten gewoon weinig van elkaar kunnen leren. Ze hebben daarvoor gewoon te weinig ervaring. Zie ook het volgend punt.
4. Coaching – Het heeft mij verbaasd dat er bijvoorbeeld in de GKv wel een hoop geld wordt meegegeven aan gemeentestichters, maar zonder dat er iemand is die dat in coachende zin begeleidt. In Amsterdam wordt dat dan wel opgelost door oa de Amsterdam in Beweging(AiB) en allerhande netwerkdagen, maar of dat afdoende is? En in het boek ligt de focus op contact tussen student en kerkplanter, maar kunnen we het natraject ook zien als onderdeel van de opleiding? Dus blijvende coachende contacten zouden wel mijn voorkeur hebben.
Ik voel veel voor de genoemde derde mogelijkheid van opleiding; praktijkgerichte specialisatie- en nascholingstrajecten. De bekostiging is inderdaad een lastig punt, maar stel nu dat de universiteiten ook hun verantwoordelijkheid nemen in de missionaire praktijk door bijvoorbeeld (goedkoper)les/onderzoeksuren beschikbaar te stellen?
Al het onderzoek van de faculteit Godgeleerdheid aan de VU valt tegenwoordig onder het onderzoeksinstituut VISOR, Religie, Cultuur en Samenleving. Ze moeten dus elk onderzoek ‘buigen’ naar de doelen van VISOR. Stel nu dat Kampen ervoor kiest om 50%(laag percentage) van het onderzoek in dienst te stellen van de missionaire praktijk. Dat levert volgens mij een schat aan relevante informatie op en echt niet minder academisch, gereformeerd, systematisch of wat dan ook.
Om op de titel terug te komen. Het is goed om een toetssteen te hebben in de vorm van een opleiding. Het levert niet alleen kwalitatief betere missionaire planters op, maar ook zet het de plantingspraktijk beter op de kaart. Het zou wel goed zijn als we die toetssteen zien in de vorm van een probeersteen en niet als maatstaf.



Hallo Johannes,
Ik zou hier twee dingen aan willen toevoegen:
1. Organiseer een opleiding waar je zowel praktijk als de academische theorie integreert. De praktiche invulling van de theologie moet onderdeel zijn van het behalen van een graad.
2. De opleidingsrichting is vaak van theorie–>praktijk. Je zou ook werkvormen kunnen bedenken waarbij deze volgorde wordt omgedraaid. Dat is wat mij aanspreekt in de “emerging church”. Het zijn vaak mensen vanuit de praktijk die een theologische fundament zoeken.
Verder nog een observatie. Ik heb gestudeerd aan het CERT van de VU in Amsterdam. Het viel me op dat veel studenten geen missionaire vakken volgden (werden o.a. gegeven door Stefan Paas), maar wel vaak (historische) dogmatische vakken. Ik wil daar geen conclusies aan verbinden, maar moet de noodzaak van de missionaire praktijk ook bij studenten nog meer benadrukt worden?
Haije Bergstra
Gemeentestichter in Spanje
Bedankt voor de toevoeging.
Wat je observatie betreft; ik kan het niet helemaal overzien, maar ik denk dat je wel gelijk hebt. De CHE heeft veel meer missionair ingestelde studenten. Maar hoe ga je dat benadrukken? Wellicht toch al een specifiek vak over de missionaire praktijk in de bachelorfase. Op dit moment is daar weinig aandacht voor. Ik verdiep mij vooral buiten mijn studie in dit soort zaken.
Interessante bijdrage. Maakt voor mij ook een zinsnede van Nico-Dirk’s blog over opleiding duidelijk… een opmerking die ik niet begreep. Had natuurlijk ook eerst even hier moeten lezen ;-)
Groet